Algemene Vergadering van de UNO neemt resolutie aan tegen mensenrechtenschendingen in Iran

 19 december 2017

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nam dinsdag, 19 december, haar 64e resolutie tegen de mensenrechtenschendingen in Iran aan.

STFA drong er bij de UNO op aan een onderzoekscommissie in deze zaak in te stellen, eraan toevoegend: “Dit is de eerste stap om een einde te maken aan de misdaden van criminelen, die nu al 38 jaar in Iran heersen.”

STFA omarmde de resolutie en verklaarde dat: “Ten aanzien van een regime dat zich helemaal niets aantrekt van tientallen UNO-resoluties tegen de niet aflatende schendingen van mensenrechten in Iran en ten aanzien van de actieve medeplichtigheid van de allerhoogste regimefunctionarissen bij het ombrengen van politieke gevangenen, moet de internationale gemeenschap bindende maatregelen treffen om de misdaden van het regime te stoppen. Alle diplomatieke en commerciële relaties met het theocratische regime van de mullahs dienen op een directe manier de belangen van het Revolutionaire Garde-Corps (IRGC), en moeten afhankelijk gemaakt worden van de beëindiging van folteringen en terechtstellingen in Iran en van de destructieve bemoeienissen van het land in de regio. Bij afwezigheid van een dergelijk vastbesloten beleid zullen de flagrante schendingen van de mensenrechten in Iran en de export van terrorisme, fundamentalisme en oorlogszucht naar de regio en de wereld doorgaan.”

De resolutie roept het Iraanse regime op “een begrijpelijk verantwoordingsproces op gang te brengen m.b.t. alle ernstige mensenrechtenschendingen, inclusief de gevallen waarbij de Iraanse rechtspraak en veiligheidsinstanties betrokken waren, en … de straffeloosheid voor dergelijke misdaden op te heffen.” Het meest sprekende voorbeeld van dergelijke ernstige mensenrechtenschendingen in Iran is de afslachting van politieke gevangenen in 1988, waarbij alle functionarissen van het klerikale regime, in het bijzonder Ali Khamenei, alsmede de rechtspraak en de hoogste functionarissen van de veiligheids- en inlichtingendiensten betrokken waren. Ze staan daar nog steeds achter, en zijn tot dusver verschoond gebleven van vervolging. Daarom staat de internationale gemeenschap een grote test te wachten, nl. deze grove misdaad tegen de menselijkheid onderzoeken en de daders juridisch vervolgen.”

De Algemene Vergadering van de UNO sprak zijn “ernstige bezorgdheid uit over het alarmerend hoog aantal opgelegde en daadwerkelijk uitgevoerde doodstraffen ..., waaronder ook doodstraffen voor minderjarigen en personen die op het moment van hun misdrijf nog geen 18 jaar oud waren, en over terechtstellingen voor misdrijven die niet als de meest ernstige misdrijven kunnen gekwalificeerd worden, en dat ook nog op basis van afgedwongen bekentenissen” en ze riep het Iraanse regime op “openbare terechtstellingen zowel in de wetgeving als in de praktijk af te schaffen.”

De resolutie van de Algemene Vergadering van de UNO ook op te stoppen met “folteringen en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandelingen of bestraffingen, alsmede met de wijdverbreide en systematische willekeurige opsluitingen, waaronder ook die van buitenlanders met een dubbele nationaliteit”, “de armzalige omstandigheden in de gevangenissen”, “met de ontzegging van adequate medische behandeling”, “met wijdverbreide en ernstige beperkingen … m.b.t. het recht op meningsvrijheid en de uiting daarvan, de vrijheid van vereniging en van vreedzame bijeenkomsten, dit zowel online als offline”, “het lastigvallen, de intimidatie en vervolging van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten, activisten voor vrouwenrechten en rechten van minderheden, vakbondsleiders, studentenrechtenactivisten, academici, filmmakers, journalisten, bloggers, gebruikers van social media en beheerders van social-media-pagina’s op internet, mediamensen, religieuze leiders, kunstenaars, advocaten en personen en hun families die tot een al dan niet erkende minderheid behoren”, “onnodig harde vonnissen, inclusief de doodstraf en langdurige binnenlandse verbanning”, “represailles tegen personen, ook tegen hen die samenwerken met mensenrechtenorgnisaties van de Verenigde Naties,” en “alle vormen van discriminatie en andere mensenrechtenschendingen van vrouwen en meisjes” en “van personen die tot een religieuze, etnische, linguïstische of andere minderheid behoren.”