Film

Iran verbiedt films die 'westerse cultuur' promoten

Om een halt toe te roepen aan pogingen om ,,oosterse tradities en culturen te beschadigen en te vernederen", heeft de Iraanse Opperste Culturele Revolutionaire Raad de criteria aangescherpt waaraan westerse films moeten voldoen om in Iran vertoond te mogen worden. Dat heeft de Iraanse staatstelevisie donderdag bekendgemaakt.

Alle buitenlandse films waarin volgens de raad het bestaan van God wordt ontkend of zedeloosheid, geweld, drugsgebruik, alcoholconsumptie, secularisme, liberalisme, anarchie of feminisme wordt gepromoot, zullen niet langer in Iran te zien zijn. Iraanse films waren al aan strenge censuur onderworpen.

De conservatieve Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad, die aan het hoofd van de bewuste raad staat, heeft tijdens zijn verkiezingscampagne beloofd de veronderstelde westerse culturele invasie in Iran een halt toe te roepen. Tijdens het bewind van Ahmadinejads voorganger, de hervormingsgezinde president Mohammed Khatami, waren films als The Passion of the Christ en The Aviator nog in Iraanse bioscopen te zien. Door het nieuwe culturele decreet zal het toch al geringe aantal Amerikaanse films dat in Iran wordt vertoond naar alle waarschijnlijkheid nog verder afnemen. [Novum/Radio.NL]  

 

Cinema Iran: van koningen en kinderen

Finn Szumlas

In het land van de blinden is de éénogige koning. Voor het moment doe ik me even voor als expert, maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat ik nooit meer dan tien á vijftien Iraanse films heb gezien. Misschien kunnen we de door Hollywood gedomineerde Westerse wereld dan ook beter een land van éénogigen noemen, want in het land van de blinden maakt waarschijnlijk zelfs de koning geen films.

Ook Iran was lange tijd westers georiënteerd. Vanaf 1941 regeerde de sjah naar westers voorbeeld, in de jaren ’60 leidend tot landhervorming, vrouwenemancipatie en privatisering van staatsbedrijven. Slechts een klein deel van de bevolking profiteerde echter en grote werkeloosheid werd genegeerd. Op 2 april 1979 werd met hulp van ayatollah Khomeini de Islamitische Republiek Iran uitgeroepen. Daarna volgde er een bloedige periode, waarin alle tegenstanders van de islam en aanhangers van de sjah systematisch werden uitgemoord.

Voor de cinema brak een moeilijke tijd aan. Vanaf het begin kondigde Khomeini aan dat film “een moderne uitvinding was die gebruikt zou moeten worden om het volk op te voeden, maar tot dan toe slechts was gebruikt om de jeugd te verloederen.” Al snel realiseerde de overheid zich echter ook de mogelijkheden van film voor propaganda en in 1982 werden formeel alle films verboden die werden beschouwd als leidend tot slechtheid, corruptie en prostitutie. Pas aan het einde van de jaren ’80 werd het beleid losser en konden vele van de filmmakers die nu over de hele (film)wereld bekend zijn, naam gaan maken.

 Censuur is er echter nog steeds en in veel gevallen mogen films nog altijd niet vertoond worden. Tahmineh Milani, op het Film Festival in Rotterdam aanwezig met haar film The Hidden Half, maakte het zelfs zo bont dat ze een maand in de gevangenis door moest brengen.

Om de Islamitische Republiek niet te beledigen, mogen films geen openbare genegenheid tussen mannen en vrouwen tonen, geen vrouwelijke zang of dans laten zien en mag er geen sensuele muziek worden gebruikt. Vrouwelijke personages dienen te allen tijde hun hoofden te bedekken en hun lichaamsvormen te verbergen. Man en vrouw mogen elkaar niet aanraken en ouders mogen geen fysieke genegenheid tonen aan dochters ouder dan negen en zonen ouder dan dertien jaar. Dergelijke beelden zouden mannelijke kijkers in verleiding kunnen brengen.

Wat is dan de Iraanse film? Want één ding staat ondanks, of misschien juist dankzij de censuur vast, in de jaren ’90 is zij uitgegroeid tot een van de meest geprezen nationale cinema’s wereldwijd. Natuurlijk bestaat er in werkelijkheid niet één Iraanse cinema, maar in de publieke opinie heeft zich een beeld gevormd, terecht of onterecht, dat ik toch een genre durf te noemen.

In deze cinema spelen jonge kinderen vaak de hoofdrol. In simpele verhaallijnen en een realistische beeldtaal zwerven zij door een wereld van volwassenen, vaak stuitend op onbegrip. Het meest bekende voorbeeld is wellicht Jafar Panahi’s The White Balloon, dat in 1995 tijdens festivals verschillende prijzen in de wacht sleepte en als eerste Iraanse film in de gehele westerse wereld werd gedistribueerd. Een klein meisje verlangt ernaar een goudvis te bemachtigen die ze in een dierenwinkel heeft gezien. Ze wordt echter afgeleid en realiseert zich dat ze het geld, met grote moeite van haar moeder losgekregen, heeft verloren. Het merendeel van de film toont haar verwoede pogingen haar geld uit een putje te vissen.

In dit soort onschuldige verhaallijnen is naast humor ook een dosis frustratie en wanhoop te vinden.

In belangrijke mate is dit het beeld dat overheerst in ideeën over Iraanse cinema, maar in feite lijkt het erop dat dit soort films voornamelijk van één figuur afkomstig zijn: Abbas Kiarostami. Er is al veel geschreven en gezegd over deze filmmaker, en in vrijwel alle gevallen met dezelfde lovende woorden, met als gevolg dat Kiarostami een haast mythisch figuur is geworden onder hard-core cinefielen. Het weinig geziene Waar Staat Het Huis Van Mijn Vriend? zette in 1987 de trend met het verhaal van een jongen die op zoek gaat naar het huis van zijn klasgenootje in het volgende dorp om diens schrift met huiswerk te retourneren. Het was ook Kiarostami die achter het script van The White Balloon zat en verder regisseerde hij onder andere Through The Olive Trees (1994) en The Wind Will Carry Us (2000). 

 

 

Maar zoals gezegd, heeft de Iraanse cinema veel meer te bieden dan deze “school” rondom Kiarostami. Bijna even bekend en geprezen, maar qua stijl het andere uiterste opzoekend, is Mohsen Makhmalbaf. Er Was Eens... Cinema (1995) heeft een agressieve, psychotische stijl en een complexe structuur.

Op het 31e Internationale Film Festival Rotterdam waren negen Iraanse films te zien, waarvan ik er drie heb gezien: Kiarostami’s A.B.C. Africa, het resultaat van onderzoek naar de situatie in Uganda waarbij Kiarostami zijn eigen hand-held digitale camera meenam, en bij terugkeer er een film van besloot te maken; Abolfazl Jalili’s Delbaran dat speelt rond een tankstation bij de grens tussen Iran en Afghanistan, waar een veertienjarige Afghaanse vluchteling onderdak heeft gevonden en helpt auto’s te repareren en mensen te smokkelen. Jalili, aan wie drie jaar geleden een retrospectief op het festival werd gewijd, brengt minimalisme tot nieuwe hoogten. Zo realistisch als zijn films, was het Italiaanse neo-realisme nooit. Toen ik met Jalili sprak, verzekerde hij me dat het hele beeld echter tot in de fijnste details is gecomponeerd.

Veel toegankelijker is Babak Payami’s Secret Ballot over een jonge vrouw die, vergezeld door een plichtsgetrouwe soldaat, het land in moet om stemmen onder de bevolking te verzamelen. Payami heeft een groot gedeelte van zijn leven buiten Iran doorgebracht, is in Canada opgeleid en dat is in deze, zijn tweede, film voelbaar. Zijn film begint als Tarkovsky, maar vertoont ook veel kenmerken van de romantische komedie uit Hollywood’s klassieke periode. Payami is geïnteresseerd in afstand: tussen mannen en vrouwen en tussen overheid en bevolking. Hij is echter niet van mening dat er ook een afstand is tussen zijn beeldtaal en Westerse kijkers, en daar lijkt zijn film hem gelijk in te geven. Dit is overigens iets dat hij gemeen heeft met Jalili, wiens films helemaal niet in Iran vertoond worden. Vrijwel alle filmmakers willen films maken voor een wereldwijd publiek en in veel gevallen zijn de soort films die bijvoorbeeld Kiarostami maakt, in Iran zelf niet bijzonder populair.

Waarom is de Iraanse cinema in het Westen dan zo populair? Het zou kunnen dat we graag willen denken dat het leven in Iran simpel en kinderlijk is. De Amerikaanse film criticus en Kiarostami-expert Jonathan Rosenbaum vertelde mij dat de vraag die mensen in Iran hem altijd stelden, was, of “wij” zo van Iraanse films houden omdat mensen altijd arm worden afgebeeld – armer dan ze in werkelijkheid zijn. Daarop antwoordde Rosenbaum steevast dat je in Hollywood films ook alleen maar rijke mensen ziet – terwijl de werkelijkheid anders is. Zo weten Iraanse cineasten ook wat ze moeten maken om films aan het buitenland te kunnen verkopen en wat ze niet mogen maken om een film in Iran te kunnen vertonen. Misschien dat de steeds soepeler wordende censuur ons een dezer dagen het echte Iran zal laten zien, maar tot die tijd zul je, om Iran te leren kennen, echt zelf de reis moeten maken. Als je dan terugkomt... zal je koning zijn in dit land.

Bron: http://www.xi-online.nl/