Weer een politieke Gevangene in Iran onrechtvaardig ter dood veroordeeld

17 April 2018. 

 Een 24-jarige gevangenzittende Koerd heeft zijn doodvonnis bevestigd gekregen door de Opperste Rechtbank van Iran. De politieke gevangene Ramin Hossein Panahi van de Iraanse Koerdische minderheid is in hongerstaking sinds eind januari toen hij voor het eerst de aanklacht tegen hem vernam. 

Panahi werd gevangengezet en vervolgens ter dood veroordeeld omdat hij lid zou zijn van Komala, een gewapende Koerdische oppositiegroep. Hij heeft een erg oneerlijk proces gekregen dat niet eens een uur geduurd heeft. Hij werd in de gevangenis gemarteld, wat aan de hand van de littekens op zijn lichaam duidelijk te zien is, maar het hof weigerde ook maar iets nader te onderzoeken.

Hij werd gearresteerd in juni van vorig jaar, na gewond geraakt te zijn in een hinderlaag van de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) die de Iraanse Koerdistan Komala Partij aanviel. De partij, een gewapende separatistische organisatie, is in Iran verboden.

Panahi, die naar verluidt ongewapend was, was de enige overlevende van de aanval. Drie andere - Behzad Nouri, Hamed Seif Panahi en Sabbah Hossein Panahi – stierven ten gevolge van hun dodelijke verwondingen bij die hinderlaag.

De advocaat van Panahi verklaarde dat de aanklacht tegen zijn cliënt erin bestond dat hij “de wapens tegen de staat had opgenomen” en dat hij speciaal in de gaten werd gehouden vanwege zijn lidmaatschap van Komala. Hossein Ahmadi Niaz zei dat er geen enkel bewijs was dat zijn cliënt betrokken zou zijn geweest bij enige actie met het doel mensen te doden – de eerst vereiste voor het opleggen van de doodstraf volgens internationaal recht. De advocaat benadrukte dat Panahi zelf geen wapens had opgenomen tegen het regime.

Wat de martelingen betreft die zijn cliënt had moeten ondergaan gedurende zijn detentie zei  Ahmadi Niaz dat het hof dergelijke klachten had moeten onderzoeken, en dit in ieder geval vóór de bevestiging van het doodvonnis.

De advocaat is ervan overtuigd dat zijn cliënt slachtoffer is geworden van een valstrik van de beruchte IRGC. Toen Panahi met zijn auto vanuit Irak Iran binnenkwam, werd hij geobserveerd en vervolgens bij het binnenrijden van Sanandaj op geweervuur getrakteerd.

Bovendien heeft Panahi slechts eenmaal zijn advocaat mogen spreken, en dat ook nog heel kort. Bij dat gesprek waren bovendien ook nog inlichtingenagenten aanwezig. Dit alleen al is een schending van de wet die daar luidt dat een gedetineerde zijn advocaat echt privé mag spreken.

Het is onacceptabel dat iemand in Iran dergelijke wetsovertreding moet meemaken. Rechtbanken zijn er juist voor dat iedereen een eerlijk proces kan krijgen, met onafhankelijke en onpartijdige functionarissen. Dit is echter in Iran niet het geval, waar de heersende autoriteiten ook de rechterlijke macht domineren. Het kan door de internationale gemeenschap niet getolereerd worden dat mensen ter dood veroordeeld worden terwijl er geen enkel bewijs tegen hen is.

In de Islamitische Republiek worden politieke gevangenen bijna uit routine en systematisch in de dodencel geplaatst. Panahi is enkel nog een slachtoffer van dit systeem dat wanhopig probeert elke oppositie koste wat het kost de kop in te drukken. De Koerdische gemeenschap is meer speciaal het doelwit, net als veel andere minderheden.